FAQ Leerlingen, stagiairs en medicatiebeleid

Een verantwoord medicatiebeleid en -proces van gehandicaptenzorgorganisaties vraagt ook aandacht voor de rol van leerlingen en stagiairs. Daarom heeft de VGN het Instituut voor Verantwoord Medicijngebruik (IVM) gevraagd hierover een FAQ te ontwikkelen.

geneesmiddelen
Verantwoord medicatiebeleid

Deze FAQ is ontwikkeld om meer duidelijkheid te scheppen in hoe de gehandicaptenzorg om kan gaan met leerlingen en stagiairs in het medicatiebeleid en -proces. Hij is aanvullend op de in 2024 uitgebrachte handreiking medicatiebeleid van de VGN.

We hanteren de volgende uitgangspunten:

Er is altijd sprake van een gezamenlijke verantwoordelijkheid tussen de student (oftewel leerling of stagiair), de beroepspraktijkvormende (bpv-)organisatie (in dit geval de gehandicaptenzorg-organisatie) en de opleider (de MBO- of HBO-organisatie), waarbij ieder zijn of haar eigen aandachtsgebied heeft. Er zijn in deze samenwerking verschillende rollen en organisaties te benoemen:

  • De student kan zowel een leerling zijn als een stagiair. We gebruiken de term ‘student’ wanneer het zowel om een leerling gaat als om een stagiair. Wanneer het nodig is om onderscheid te maken, gebruiken we de termen ‘stagiair’ en ‘leerling’.
  • De opleider is een MBO of HBO, meestal een docent. Deze is eindverantwoordelijk voor de voortgang in de opleiding van de student. In deze FAQ beperken we ons tot HBO en MBO:
  • Het HBO: Zorg- en welzijnsopleidingen; zoals HBO-Verpleegkunde of Social Work.
  • Het MBO: zorg- en welzijnsopleidingen (niveau 2-4); bijvoorbeeld Dienstverlener Helpende Zorg & Welzijn, verzorgende IG, Medewerker Maatschappelijke Zorg, Persoonlijk Begeleider Maatschappelijke Zorg of MBO-Verpleegkundige. Dit kunnen volledige opleidingen zijn of landelijk erkende certificaten.
  • De bpv-organisatie is de gehandicaptenzorg-organisatie waar het praktijkdeel van het leren plaatsvindt. Bpv staat hierbij voor beroepspraktijkvorming. Binnen de bpv-organisatie zijn twee verschillende rollen belegd:
    • De begeleider is betrokken vanuit de bpv-organisatie. In de praktijk kan de begeleider verschillende functienamen hebben, zoals werkbegeleider, praktijkopleider of praktijkbegeleider. In deze FAQ hanteren we de naam ‘begeleider’. Er behoort altijd een begeleider aanwezig te zijn om vragen aan te kunnen stellen, om op terug te kunnen vallen bij problemen en om de eindverantwoordelijkheid voor de medicatieveiligheid te dragen.
    • De beoordelaar vanuit de bpv-organisatie. Deze wordt ook wel assessor genoemd en is degene die de praktijkexamens beoordeelt.

  • Antwoord

    • Er is een PraktijkOvereenKomst (POK). Deze wordt getekend door de student, de bpv-organisatie en de opleider. Deze bevat afspraken over de bpv-periode zoals duur en begeleiding van de student. In de POK verwijst men naar de OER.
    • Iedere opleider heeft een Onderwijs- en Examenregeling (OER), hierin staan de regels, procedures en rechten/plichten voor de student en de opleider.
    • Bpv-organisaties gebruiken een stage-overeenkomst, waarin de afspraken tussen de stagiair en de organisatie zijn vastgelegd. Hierin wordt doorgaans verwezen naar (medicatie)beleid van de bpv-organisatie.
    • Bpv-organisaties gebruiken een leer-werk-overeenkomst, waarin de afspraken tussen de medewerker en tevens leerling en de bpv-organisatie zijn vastgelegd. Hierin wordt doorgaans ook verwezen naar (medicatie)beleid van de bpv-organisatie. In de leer-werk-overeenkomst wordt ook vaak een koppeling gemaakt met de POK.
    • Het medicatiebeleid zelf moet gebaseerd zijn op relevante wet- en regelgeving (zoals de Wet BIG en richtlijnen van de VGN). In dit beleid is uitgewerkt op welke wijze medewerkers (daarmee ook leerlingen) bevoegd en bekwaam worden en blijven. Soms kiezen organisaties ervoor hier ook stagiairs in op te nemen.
    • Veel organisaties hebben daarnaast een scholingsbeleid waarin omschreven is welke zorgvuldigheidseisen er moeten worden nageleefd, om de veiligheid van cliënten te waarborgen en tegelijkertijd een rijke leeromgeving te creëren voor studenten.
  • Stagiairs en leerlingen zijn studenten die een praktijkgedeelte van hun opleiding volgen binnen een zorgorganisatie. Dit kunnen volledige opleidingen zijn of onderdelen hiervan (landelijk erkende certificaten).

    Stagiair:

    • Een stagiair is een student die gedurende een beperkt aantal uren of gedurende een specifieke periode praktijkervaring opdoet binnen een bpv-organisatie als onderdeel van een opleiding.
    • Het praktijkdeel van de opleiding wordt vaak aangeduid als stage. Stagiairs worden doorgaans niet betaald. Soms ontvangen ze een stagevergoeding.
    • De bpv-organisatie biedt een stageplek, met een begeleider die toezicht houdt en de student begeleidt.
    • De opleider blijft eindverantwoordelijk voor de begeleiding en beoordeling van de stagiair, met input van de begeleider en de beoordelaar van de bpv-organisatie. De verantwoordelijkheid betreft de voortgang van de opleiding.
    • De bpv-organisatie is verantwoordelijk voor de begeleiding en mede- verantwoordelijk voor de beoordeling van de stagiair.
    • De stagiair is nooit eindverantwoordelijk in het werkproces en mag alleen handelingen uitvoeren onder begeleiding.
    • De inzet van de stagiair is tijdelijk, meestal voor een paar maanden.
    • Een stagiair is in principe boventallig, tenzij er met de opleider andere afspraken zijn gemaakt.

    Leerling:

    • Een leerling volgt een BeroepsBegeleidende Leerweg (BBL of HBO-duaal), waarbij werken en leren gecombineerd zijn. De leerling is in dienst van een zorgorganisatie, ontvangt salaris en heeft een formele rol in het werkproces.
    • De leerling is vaak gedurende de volledige opleiding in dienst van één zorgorganisatie.
    • De leerling werkt doorgaans grotendeels mee in formatie.
    • De opleider blijft eindverantwoordelijk voor de beoordeling van de leerling voor wat betreft de voortgang van de opleiding, met input van de beoordelaar van de bpv-organisatie. De bpv-organisatie is eindverantwoordelijk voor het beoordelen van het algemeen functioneren van medewerker, die tevens leerling is.
    • De bpv-organisatie heeft meer verantwoordelijkheden richting de leerling, die tevens medewerker is, zoals het betalen van salaris, het bieden van begeleiding en het faciliteren van leer- en werkmomenten.
  • Een leerplan - ook wel stageplan of beroepspraktijkvormings-plan (bpv-plan) genoemd - biedt structuur aan wat de student moet leren en uitvoeren. Een bpv-plan is meestal gekoppeld aan examens die in de praktijk afgenomen moeten worden.

    Een bpv-plan in de sector Zorg en Welzijn is doorgaans opgebouwd uit leerdoelen die gekoppeld zijn aan:

    • Theoretische kennis: vakkennis die relevant is voor het beroep, zoals anatomie, fysiologie en ziekteleer en medicatiekennis.
    • Praktische vaardigheden: handelingen die de stagiair moet beheersen, zoals het toedienen van medicatie, wondverzorging en communicatie met cliënten.
    • Competentieontwikkeling: ontwikkeling van beroepscompetenties zoals samenwerken, probleemoplossend vermogen en professioneel gedrag.

    Qua medicatieveiligheid zijn er grote verschillen in geleerde kennis en kunde, zowel per opleiding als ook per leerjaar. Zeker wanneer het om een versnelde opleiding of om een opleiding tot een landelijk erkend certificaat gaat, is het belangrijk om de leerdoelen en de gekoppelde examens samen goed na te gaan (met de student, de begeleider en indien wenselijk de opleider). 

    • Informatie: een inwerkprogramma, duidelijke uitleg over medicatieprocessen, verantwoordelijkheden, en veiligheidseisen.
    • Begeleiding: een begeleider die toezicht houdt, feedback geeft en de voortgang bespreekt, passend bij de fase van opleiding van de student.
    • Toegang tot richtlijnen, protocollen en hulpmiddelen die relevant zijn voor het medicatiebeleid.
    • Een veilige leeromgeving waarin de student vragen kan stellen en fouten mag maken om van te leren.
  • a. Voorwaarden vanuit de opleider:

    • De student moet voldoende theoretische kennis hebben opgedaan over medicatiebeheer en toediening (zoals medicatiekennis, ziekteleer, richtlijnen voor medicatieveiligheid en ethische aspecten).
    • De student moet de bijbehorende vaardigheden en het toepassen van de theorie voldoende geoefend hebben in een simulatiesetting.
    • De opleiding moet aantonen dat de student over voldoende kennis en praktische vaardigheden beschikt (bijvoorbeeld via een bekwaamheidstoets).
    • De mate van begeleiding vanuit de bpv-organisatie dient passend te zijn bij de fase van de opleiding. De opleiding stelt dat medicatie delen alleen mag plaatsvinden onder eindverantwoordelijkheid van een bevoegde en bekwame begeleider.

     

    b. Voorwaarden vanuit de bpv-organisatie:

    • De bpv-organisatie moet duidelijke medicatieprotocollen hebben.
    • De bpv-organisatie hanteert de voorwaarden uit het eigen medicatiebeleid en -proces. Hierin wordt soms onderscheid gemaakt tussen stagiairs en leerlingen. Die keuze is aan de bpv-organisatie.
    • De bpv-organisatie moet een veilige omgeving bieden waarin fouten kunnen worden voorkomen en studenten kunnen leren.

     

    c. Voorwaarden vanuit de student:

    Studenten:

    • Moeten zich bekwaam voelen om medicatie te delen.
    • Moeten hun bevoegdheid aantonen. Examinering van theoretische kennis en praktische vaardigheden wordt gedocumenteerd. Denk hierbij aan afgetekende praktijkexamens of een overgangsbewijs.
    • Moeten hun bekwaamheid aantonen. Dit wordt vastgelegd in een bekwaamheidsregistratie, bijvoorbeeld een portfolio of stagedossier. Hierin worden observaties, beoordelingen en goedkeuringen door begeleiders en opleiders opgenomen.
    • Moeten zich bewust zijn van hun grenzen in kennis en vaardigheden en altijd om hulp vragen bij twijfel.
    • Student: Verantwoordelijk voor het eigen leerproces, het naleven van protocollen en het tijdig aangeven van grenzen in bekwaamheid.
    • Begeleider: Eindverantwoordelijk voor de veiligheid van cliënten. Is verantwoordelijk voor het bieden van begeleiding en het houden van toezicht op de handelingen van de student passend bij de fase van de opleiding.
    • Bpv-organisatie: Verantwoordelijk voor het faciliteren van een veilige leeromgeving en het opstellen van duidelijke protocollen.
    • Opleider: Verantwoordelijk voor het bieden van de benodigde theoretische kennis en praktische vaardigheden, die aansluiten bij de leerdoelen. Zorgt voor een duidelijke voorbereiding en afstemming met de zorgorganisatie over wat van de stagiair of leerling wordt verwacht.
  • Dit hangt af van:

    • Het soort opleiding, het opleidingsniveau en fase van de opleiding: In het begin mag een student minder complexe handelingen uitvoeren, die horen bij het niveau en de inhoud van de opleiding. Naarmate studenten verder zijn in de opleiding, mogen ze de meer complexe taken op zich nemen. De studenten kunnen toelichten wat ze kunnen en mogen. Bij twijfel kunnen het bpv-handboek en de examenmap geraadpleegd worden of kan overlegd worden met de opleider.
    • Bekwaamheid en beoordeling: alleen handelingen waarvoor de student aantoonbaar bekwaam is bevonden, mogen zelfstandig worden uitgevoerd. Dat gebeurt te allen tijde onder eindverantwoordelijkheid van de begeleider. Met extra aandacht voor de voorbehouden handelingen, zoals medicatie intraveneus toedienen. Hierbij is directe supervisie nodig.
  • a. Welke aandachtspunten zijn er bij het medicatie geven door een student?

    • Zorg voor een duidelijke beschrijving van het medicatieproces en van de wijze van medicatie toedienen; op de (elektronische) toedienlijst, in werkinstructies en in protocollen.
    • Voer handelingen uit volgens het ‘vier-ogenprincipe’, dat wil zeggen met controle door de begeleider.

    b. Wat te doen bij twijfel?

    • Bij twijfel over de bekwaamheid van de student mag deze de handeling niet uitvoeren. De begeleider neemt het dan over.
    • Komen de student en de begeleider er samen niet uit, raadpleeg dan de opleider.
    • Bij twijfel over medicatie (zoals dosering of juiste toediening) neem je altijd contact op met de voorschrijver of apotheek.

    c. Hoe borg je een veilig leerproces?

    • Door het toepassen van het ‘See One, Do One, Teach One’-principe:
      • See One: de student observeert een ervaren zorgprofessional.
      • Do One: de student voert de handeling uit onder supervisie.
      • Teach One: de student reflecteert en legt de handeling uit aan anderen.
    • Door regelmatige feedback en evaluatie van leerdoelen tussen de student, de begeleider en eventueel de opleider.
    • Door fouten te bespreken als leerervaring, met focus op het voorkómen van fouten in de toekomst.

    Door stapsgewijze uitbreiding van de verantwoordelijkheden, afhankelijk van de bekwaamheid van de student en de fase van de opleiding.

    • Zorg bij medicatiehandelingen voor begeleiding van een student, passend bij de fase van de opleiding.
    • Gebruik duidelijke protocollen en controlelijsten.
    • Leef protocollen en richtlijnen strikt na.
    • Pas het ‘vier-ogenprincipe’ toe voor risicovolle medicatie buiten de medicatierol.
    • Gebruik (elektronische) toedienregistratie om fouten te minimaliseren.
    • Stimuleer een open cultuur waarin fouten en twijfels worden besproken.
    • Scholing en supervisie voor alle betrokkenen helpt.
    • Informeer cliënten en verwanten over de aanwezigheid, supervisie en begeleiding van studenten. Communiceer open met verwanten over de aanwezigheid en rol van stagiairs en leerlingen. Geef hen de ruimte om vragen te stellen of opmerkingen te maken over de betrokkenheid van een student.

FAQ Leerlingen, stagiairs en medicatiebeleid

Deze FAQ is ontwikkeld om meer duidelijkheid te scheppen in hoe de gehandicaptenzorg om kan gaan met leerlingen en stagiairs in het medicatiebeleid en -proces. Hij is aanvullend op de in 2024 uitgebrachte handreiking medicatiebeleid van de VGN.

Wil je meer weten of heb je vragen of opmerkingen?

Neem contact op met Marion Kersten
Telefoonnummer
06-13205983
Marion Kersten

Deze pagina is een onderdeel van